zondag 12 december 2010

Trapoptocht

Onder het mom van “eigen haard is goud waard” ben ik deze week op zoek gegaan naar een kachel. In dat verband ook kwam vandaag Piet samen met Harrie mijn rookkanaal controleren en schoonmaken. Ik had zelf alleen Piet verwacht, maar Harrie hoorde er blijkbaar bij. Toen de kachelverkoper mij eergister het papiertje gaf met daarop de naam en het telefoonnummer van ‘het schoorsteenmannetje’ vertelde hij dat ik maar moest zeggen dat ik ‘door die jongens uit Bos en Lommer’ was gestuurd. Ik stapte op de fiets en trapte stevig tegen de dichte mist in om eerder thuis te zijn dan mijn nieuwe aankoop, die per auto werd nagebracht.

Toen ik belde nam iemand na twee keer overgaan de telefoon op: “ Met Piet!”. Komt dat eens even mooit uit, dacht ik bij mezelf, die moet ik nou net hebben. Ik vertelde hem dat ik door de ‘Bos en Lommerse kacheljongens’ was gestuurd en we spraken af dat hij de volgende dag langs zou komen. Dat ik ook met Harrie van doen zou krijgen was voor mij toen nog geheel een verrassing.

De opmerking van een vriend dat een schoorsteenmannetje toch minstens een jaar of vijftig zou moeten zijn werd niet tegengesproken door de illustere verschijningen die, met enige moeite, de steile trap naar mijn woning opklommen. Allebei niet ver meer van de VUT. De taakverdeling tussen beide heren was af te lezen trapoptocht: voorop Piet met professionele glimlach, en daar achteraan Harrie met het gereedschap.

Handig knielde Harrie neer voor de schoorsteenmantel, rolde een veger uit en grijnsde en fronste afwisselend terwijl deze zich een weg naar boven zocht. Piet stond er met zijn handen in zijn zakken bij te kijken. Binnen twee minuten was het gepiept. Het controleren van het rookkanaal bleek al even simpel: Harrie stak een papiertje aan hield het bij de ingang van het kanaal. De vlam werd met een vaart het gat in getrokken. “Kijk, hij moet zuigen, dan doet hij het.” Nou, dan deed hij het, want mijn rookkanaal zoog zo enthousiast als een 15-jarig meisje met een reputatie. Even vlug als ze de steile trap waren opgeklommen liepen ze weer naar beneden, waar ik hun betaling uit de pin automaat haalde.

Het bonnetje vertelde € 21,-, maar omdat ik geen kleingeld had en Piet het wisselgeld niet uit zijn auto wilde halen, was ik voor € 20,- klaar. Harrie knipoogde: “Nog een fijne dag hè!” en weg waren ze. Alweer eens stapje dichter bij een warme haard.

woensdag 3 november 2010

De Kolenkitbuurt, nog steeds op één

De huizenblokken van het Jan van Schaffelaarplantsoen kijken nu al een tijdje uit op een afgezet, gehavend veldje, met daarachter de geluidswal van de ring en daar weer achter een non-descript modernistisch, rood flatgebouw. Dat is jammer. Want zouden de huizenblokken in het Jan van Schaffelaarplantsoen over een spiegel beschikken, dan hadden ze een prachtig uitzicht gehad. Nu staan er drie eenheden te koop.

De flats echoën met hun bakstenen omhulsel de Amsterdamse School-bebouwing van binnen de ring en eren met hun decoratie de schuin tegenoverliggende Opstandingskerk, beter bekend als de Kolenkit. Naast elke ingang, aan het eind van een uitstulpende portiek, zijn twee in wit uitgevoerde bas-reliëfs te vinden die thema’s uit het nieuwe testament weergegeven, kenmerkend door hun grof kubistische vormen. Of de twee jongetjes die op straat hun voetbal aan het oppompen zijn weten dat het de Here God zelf is die doormiddel van een uit een wolk stekende hand met priemende wijsvinger een Caligari-achtige Lazarus uit de dood terugbrengt betwijfel ik, al zal er ook voor hen genoeg plezier te beleven zijn in het onwetend interpreteren van de toch vreemde beelden: de straat telt er 16 in totaal.
Het Vogelaarrapport vertelt ons dat we hier te maken hebben met de slechtste achterstandswijk van Nederland. Dat ik zelf mijn huidige woonomgeving niet als zodanig zou hebben hebben omschreven, kun je rustig stellen. Misschien heb ik net iets teveel van de wereld gezien om de Nederlandse problematiek nog naar waarde te schatten, maar ik vergenoeg me nu al enige maanden aan de wijk en zijn bewoners.

Verderop, tussen de Akbar- en de Sinjeur Seymenstraat laat het verschil tussen mooi en lelijk zich in details vatten. De gebouwen op beide straten bezitten een speelsheid die er bij de bouw van de rest van de Westelijke tuinsteden langzamerhand is afgeraakt. Mijn vermoeden is dat dit deel van de buurt, nog relatief dicht tegen de binnenstad aan, tot de eerste golf Wederopbouw behoort en dat latere gebieden zoals Osdorp en Geuzenveld het met minder creativiteit hebben moeten stellen. Toch zijn niet allebei de straten er door de jaren heen hetzelfde uitgekomen.

In de Akbarstraat overheerst baksteen het straatbeeld. De donkergroene houten deuren beneden hebben mooi afgewerkte deurbogen en de balkonnetjes, afgezet met dun, gebogen metaalwerk, liggen aan het trappenhuis op de hoeken tegenover elkaar. Ertussen bevinden zich ramen met ruitpatroon en bovenaan is nog net een stukje met rode dakpannen bedekte schans te zien. Ook de relingen bij de algemene trap beneden zijn voorzien van tierelantijntjes. In de Sinjeur Seymenstraat valt meteen de kleur op. Een renovatiegolf heeft er voor gezorgd dat alle deuren zijn vervangen door knalgele systeemplaten, die behoorlijk vloeken met het gifgroene metaalwerk van de trapleuningen en bergingkozijnen. Waarschijnlijk ooit bedoeld als fris. Verder is een deel van de baksteen aan het oog onttrokken door grijze beplating van onduidelijke origine: is het beton, kunststof of gips? Het doet denken aan de bouwstijl die de nieuwbouw van de jaren 70 en tachtig kenmerkt: toen hip en functioneel maar tegenwoordig al hopeloos achterhaald en een doorn in het oog van menig gevoelige burger. In de Sinjeur Seymenstraat blijkt hoe makkelijk het is om iets moois te degraderen: de balkonnetjes zijn van hun elegante omheining ontdaan, en met de circuskleuren en grijze massa lijkt het blok nog het meest op een in onbruik geraakte kinderspeeltuin.

Eerder deze week kwam het nieuws naar buiten dat door het instorten van de koopmarkt het vernieuwingsverband tussen de verschillende woningbouwcorporaties Far West haar functioneren zal staken. Dit zal ertoe leiden dat veel van de huizen op de slooplijst nog iets langer zullen blijven staan. Goed nieuws voor mij, aangezien ik zo’n voor sloop aangemerkt appartement bewoon. Goed nieuws ook voor de heer die ik sprak op de Akbarstraat, die zijn straatje niet zomaar verlaten wil. Minder goed nieuws misschien voor de bewoners van het Jan van Schaffelaarplantsoen die nu nog jaren langer tegen al die bouwwerkzaamheden aan moeten kijken. Hadden ze maar een spiegel.

donderdag 21 oktober 2010

Chocolage letters

Een donker kind kijkt me glimlachend aan vanaf de achterkant van de doos van mijn chocoladeletter. Hoe het komt dat ik al zo beschamend vroeg in het jaar een chocoladeletter in het bezit heb is even niet zo belangrijk, al zal ik hier van de gelegenheid gebruik maken om aan te geven dat ik hem niet zelf gekocht heb. U zou misschien denken, en ik met u, dat het hier zou gaan om zwarte Piet, een typetje die als overblijfsel van ons slavendrijvende verleden de laatste jaren het bestaansrecht van de goedheiligman keer op keer in het nauw brengt.

Nu zijn er verschillende verhalen over de herkomst van Piet, en niet allemaal spelen die zich af in het donkere continent. Zo is er de versie dat het met Piet zou gaan om kinderen die vanwege hun minimale formaat op gemakkelijke wijze de schoorsteen konden vegen (vandaar het zwarte gezicht), maar het is natuurlijk de vraag waar de moderne Nederlander het liever mee geassocieerd wordt: slavenhandel of kinderarbeid? Feit blijft dat de huidige interpretatie van Piet hoe dan ook meer wegheeft van de 19e-eeuwse afbeelding van de brute donkere boeman dan van het zigeunerjongetje met de traan, al heeft deze het ook niet makkelijk, zoals hij door Sarkozy en Berlusconi de laatste tijd onvermurwbaar terug naar Roemenie wordt gestuurd. Maar ondanks het rassenstereotype blijkt het donkere kind op de doos van mijn chocoladeletter geen zwarte Piet. Het kind heeft een glimmende schedel en keurig schooluniform aan en wordt omringd door leergierige klasgenootjes die mij ook tevreden aanzitten te kijken van achter hun bureautjes. Nu begin ik me zo onderhand af te vragen: wat doet dit kind op de verpakking van deze seizoenslekkernij?

Het antwoord is gelukkig niet ver weg, en nog gelukkiger ook niet zo moeilijk. Het kind zit er dankzij mij, want ik eet hier een ‘Fairtrade’ chocoladeletter. Geruststellende tekst verklaart dat het snoepgoed niet alleen extra lekker is, maar ook ‘100% eerlijk’. De fabrikant, of beter gezegd, zijn marketing afdeling schuwt verdere ongenuanceerd zoetgevooisde termen als ontwikkelingslanden, kinderen naar school laten gaan en waterputten niet. Bijna smelt mijn hart zoals de chocoladeletter tussen mijn vingers als het zoete gevoel van goed doen zich mengt met de warme aardse smaak van chocolade die door mijn keelgat glijdt. Eerlijk zullen we alles delen, en dankzij mij heeft het arme kind (want daartoe is het inmiddels door de fabrikant gebombardeerd) nu ook een schoen om bij de schoorsteen te zetten. Maar komt Sinterklaas wel in Afrika?

Laat me vooropstellen dat het mij persoonlijk deugd doet dat de werknemer van de cacaoplantage een eerlijk loon ontvangt, dat hij wat mij betreft inderdaad kan spenderen aan het naar school sturen van zijn kinderen of het slaan van een waterputje hier of daar. Wat mij tegen de borst stuit is dat de advertentie op de verpakking van mijn magnifiek in melkchocolade uitgevoerde ‘R’ is ondergedompeld in zoveel goudbruine stereotyperingen dat aan het plaatje geen barstje in het beeld meer opvalt, maar de stank is onmiskenbaar.
Wanneer je kijkt naar de manier waarop in Europa de vooruitgang alle natuur met wrede efficiëntie heeft gereduceerd tot Bloems “stukje[s] bos, ter grootte van een krant”, mag er met reden worden afgevraagd of een land zich wel zou moeten willen ‘ontwikkelen’ en kan worden ingezien dat het predikaat ‘ontwikkelingsland’ tevens een veroordeling aan het adres van dat land inhoudt: zij hebben dat hoge niveau dat wij schijnbaar zonder veel moeite innemen blijkbaar (nog) niet gehaald en moeten daarom nog maar even hun best doen. De chocolade-eter wordt aangemoedigd: méér in die muil stoppen, je helpt er immers Afrika mee!

Het donkere kind achterop de chocoladeletterdoos was gewoon een kind, op school met klasgenootjes, totdat die welwillende chocoladefabrikant er opeens naast moest zetten dat de cacaoboeren van hun verdiende geld waterputten voor “de mensen in hun gemeenschap” kunnen slaan. Dan is het zomaar een kind zonder waterput. Of beter nog: een kind met een waterput die door Sinterklaasconsumptie tot stand is gekomen. Van de autonomie van de werknemer laat de reclame ook weinig heel. Zijn geld moet ineens allemaal naar de schoolcarrière van zijn kinderen en waterputten voor de gemeenschap en als hij het op een uitbundige vrijdagavond besluit te spenderen aan bier en hoeren dan kan hij toch minimaal een afkeurende brief vanuit Nederland verwachtten:

Beste Cacoaplukker, wat leest de Sint nou? Heb ik ze hier allemaal de chocolade laten eten die is gemaakt van de bonen waarvoor jij een 100% eerlijke prijs hebt gekregen, en nu heb jij dat geld uitgegeven aan hoeren, bier en een namaaktas van Louis Vitton, made in China!!?? Je kan toch wel begrijpen dat Louis hard werkt en heel veel geld uitgeeft om zijn merk te houden waar het is en dan koop jij een imitatie, nog wel uit China? Wat hebben die Chinezen nou voor jou betekend, behalve dan al die wegen die ze onlangs hebben aangelegd nadat de WTO jouw president geen geld meer wilde lenen? De volgende keer maar weer gewoon je kinderen naar school sturen en waterputten laten slaan voor mensen in de gemeenschap, anders komt zwarte Piet langs met de roe. En denk maar niet dat hij je in de zak mee naar Spanje neemt, die truc is nu echt verleden tijd, tegenwoordig regelen de vriendjes van de CIA opvang in de landen van herkomst zelf. Liefs, de Sint.

Ik zou me nog druk kunnen maken over de uitspraak ‘100% eerlijk’ in relatie tot de handelsbeperkingen en invoerheffingen die de Europese Unie erop na houdt in de handel met Afrika. Ik zou mijn irritatie kunnen tonen omtrent het aanschaffen van alleen de grondstoffen in deze zogenaamde ontwikkelingslanden, waar men best wel raad zou weten met de waardetoevoeging die raffinage en eindproductie met zich meebrengt. En ik zou nogmaals mijn vraagtekens kunnen zetten bij de keuze van het donkere kind in de schoolklas dat uitnodigt tot Eurocentrisch altruïstisch consumentisme. Maar chocoladeletters komen niet in de vorm van vraagtekens. En alleen daarom al kan Verkade zich complimenteren met een succesvolle campagne.